Malocclusie - Priktandjes
Priktandjes bij de pup, wat houd dat in?
Als we het over priktandjes hebben bij de pup betekent dit dat er ten gevolge van een verkeerde positie van de onderste melkhoektandjes er schade kan ontstaan in het gehemelte of slijmvlies van de bovenkaak. Dit is niet het gevolg van een tandafwijking maar van een kaakafwijking. In de meeste gevallen is de onderkaak te smal of te kort. We hebben te maken met een erfelijk probleem. Als gevolg hiervan prikt de scherpe punt van de kroon in het gehemelte wat leidt tot:
- Pijn en ongemak
- Ontstekingen en infecties in het gehemelte
- Gedragsveranderingen door pijn, vele van deze pupjes ontwikkelen een mate van kopschuwheid
- Het kan in bepaalde gevallen de verdere groei van de onderkaak belemmeren.
Gezien we hier met een kaakprobleem te maken hebben is het niet zinvol om de stand van de melkelementen te willen corrigeren, dit zal geen invloed hebben op de stand van het blijvende gebit. Deze correctie wordt veelal door middel van de zogeheten baltherapie geadviseerd. Het doel is om door het spelen van een bal in de bek er een zijwaartse druk op de onderste gebitselementen wordt uitgevoerd. Bij het melkgebit is dit niet alleen zinloos maar kan ook schade veroorzaken. Melkelementen zijn zwakke elementen en kunnen makkelijk breken.
In het geval er duidelijk schade en pijn wordt veroorzaakt en de groei van de kaak belemmert wordt zal er geadviseerd worden om de onderste melkelementen te extraheren. Gezien de grootste groeispurt van de onderkaak tussen leeftijd van 6 en 8 weken is, moet deze behandeling dan ook zo vroeg mogelijk uitgevoerd worden. Dit geeft echter geen garantie voor een normaal blijvend gebit. In de meeste gevallen zal er nog een correctie uitgevoerd moeten worden bij het blijvende gebit na de tandwisseling. Tijdens de tandwisseling is het van belang dat er geen dubbele elementen aanwezig mogen zijn. Dat wil zeggen dat het melkelement niet samen met het blijvend element zichtbaar mag zijn. Melkelementen zijn plaats bewaarders en zolang deze aanwezig zijn zal het blijvende element zijn normale positie niet in kunnen nemen en zal de afwijkende stand nog meer bevorderd worden.
Hoe de stand van het blijvende element gecorrigeerd kan worden zal afhangen van de aard en de mate van kaakafwijking. Bij een te smalle onderkaak kan de eerder beschreven baltherapie of een andere vorm van naar buiten manipuleren van de onder hoektanden het probleem in die mate oplossen dat we een functioneel en pijnvrij gebit krijgen. Bij een te korte onderkaak is deze therapie niet zinvol gezien de onderste hoektand in vele gevallen achter de bovenste hoektand geplaatst is en derhalve niet naar buiten gemanipuleerd kan worden. In deze gevallen kan men besluiten om een kroonreductie uit te voeren zodat er geen schade meer veroorzaakt kan worden. Niets doen is in geen enkel geval een optie gezien er uiteindelijk ook schade in het bot van de bovenkaak en zelfs de neus kan ontstaan.
Van groot belang is, dat er vroegtijdig wordt ingegrepen om de stand van het blijvende gebit te corrigeren. Het naar buiten manipuleren van gebitselementen moet starten tijdens de tandwisseling. Hoe langer men wacht hoe minder de stand van een element nog beïnvloed zal kunnen worden.